Enkelbandruptuur

De relatief dunne laterale enkelbanden kunnen gemakkelijk beschadigd raken door meestal krachtige onverwachte inversie, plantaire flexie of endorotatie. De achterste laterale enkelband blijft vrijwel altijd gespaard. De ernst varieert van een overrekking van het kapsel tot een volledige ruptuur van kapsel en ligamenten. Ten gevolge van een inversietrauma ontstaat bij 8-16% een fractuur. Als de patiënt niet in staat is om de voet gedurende enkele stappen te belasten, en wanneer bij onderzoek pijn wordt aangegeven op de dorsale zijde van een van de malleoli, bestaat een indicatie voor een foto ter uitsluiting van een fractuur ( “Ottawa Ankle Rules” ).

Conservatief
De behandeling is functioneel. Aanvankelijk wordt een drukverband aangelegd met een korte periode van voetelevatie en rust. Onbelaste oefeningen (dorsiflexie) en snelle hervatting van het staan en lopen moeten worden aangemoedigd. Worden na een kleine week een hematoomkleuring en pijn op de voorste laterale enkelband gevonden dan kan er sprake zijn van een ruptuur.

Gipskamer
Na een ruptuur wordt tapebandage gedurende 4-6 weken aanbevolen. Na enkele dagen komt de patiënt op de gipskamer en wordt een tapeverband aangelegd. Bij huidproblemen of veel pijn wordt een WRAP aangelegd (brace van kunststof). Na 2 weken wordt de enkel van de patiënt her beoordeeld. Dan wordt opnieuw het tape gewisseld of, bij lichte overrekking een stevige schoen geadviseerd. Een folder met oefeningen wordt meegegeven.

De patiënt komt na een enkelbandruptuur op uw spreekuur met klachten.
Een jaar na ruptuur van het laterale bandcomplex blijkt 20-40% nog restklachten te hebben. Een van de belangrijkste klachten is “het gevoel van instabiliteit” (44%). Dit kan gepaard gaan met repeterende verzwikkingen, pijn, zwelling en stijfheid. In de praktijk bestaat de behandeling uit het dragen van een enkelbrace en oefeningen gericht op herstel van motorische controle. Bij aanhoudende instabiliteitsklachten moet verdere analyse volgen. Soms ontstaan er osteochondrale laesies (6,5%) welke meestal restloos genezen. Bij aanhoudende klachten (hapering of blokkade van sommige bewegingen) is aanvullende diagnostiek vereist.

Voor meer informatie: Ger van Olden en Luuk de Vries, traumachirurgen